Teuten, wat zijn dat ?

 

We geven hier een korte uitleg over de teuterij. Op het internet zijn meer uitgebreide literatuurverwijzingen te vinden.

Het Nederlands werkwoord 'teuten' betekent talmen, treuzelen, of ook wel zeuren, lijzig praten. Teut komt ook voor in de betekenis van aangeschoten, beschonken, dronken. 

Maar in de omgeving van Bergeijk bedoelen we met Teuten een soort ambachts- of handelaarsgilde in de 17e, 18e en 19e eeuw. De teuterij was een beroep, en wel een beroep dat meer buiten dan binnen het eigen land werd uitgeoefend. Vroeger sprak men van 'buitengaanders'. 

De teuterij is een typisch Kempisch verschijnsel geweest. Niet alleen in Bergeijk hebben Teuten gewoond, maar ook in de aangrenzende gemeenten: Luyksgestel, Borkel en Schaft, Westerhoven, Eersel, en verder Riethoven, Dommelen, Leende en waarschijnlijk Valkenswaard; bezuiden de thans Nederlandse grens te Lommel, Hamont, St.Huibrechts Lille, Eksel, Pelt.

De teuten waren gewone Kempenaren, voor het merendeel van huis uit voerlui en keuterboeren die door hun ambulante handel vaak tot fortuin kwamen en tot welstand zijn geraakt. In de lente vertrokken ze naar het buitenland (tot in Denemarken en tot Wenen) om daar rond te venten. En tegen de winter keerden ze terug om hun tijd thuis door te brengen.

Zij hadden koopmanschappen met onderlinge afspraken, over hun te bereizen handelsroutes.
En… er heerste een strenge tucht in de compagnie:
handel drijven = minstens met tweeën zijn,
overnachten moest in vaste herbergen,
dronkenschap werd gestraft met stokslagen (bedoeld om hem te beschamen),
buiten de handel mocht hij geen bijzondere betrekkingen met de bevolking aanknopen.

En wat verhandelden ze ?
Koper, vooral de Luyksgestelse teuten.
Textiel, vooral de Lommelse teuten.
Haar voor pruiken, vooral de Bergeijkse teuten.

De komst van industrie en massaproductie luidde (rond 1840) de neergang van de teuterij in om uiteindelijk in het begin van de twintigste eeuw geheel te verdwijnen.

En de betekenis van het woord teut?
Er zijn verschillende verklaringen voor, maar ondergetekende houdt het bij het Westfaalse Tüötte (*), waarvan men zegt dat het ‘trekvogel’ betekent.
Alhoewel het geen vogels waren, trokken ze ver weg, dat teutenvolk, naar het Westfaalse en verder.

(*) Daar in Westfalen ontstond in het midden van de 17e eeuw ook zo’n marskramerelite , die men Tuötten noemde. Ze handelden in textiel en namen als Brenninckmeyer Lampe, Kreymborg en Voss herinneren daar nog aan.
Maar dergelijke grote mannen kennen ze in het Bergeijkse ook, zoals de textielteuten Ermen, waarnaar in Manchester een straat en een school genoemd is.

 

In de periodiek De Keersopper (*) van de Heemkundekring Bergeijk verschenen de volgende verhalen over Bergeijkse Teuten:

Nr 3, nov. 2006, De Teuten van Bergeijk
Nr.4, mrt. 2007, De haarteut Arnold Kuyken van Bergeijk in Fritzlar
Nr 5, mei 2007, Haarteut Simon van Hove en het logo van Teutenkoor Bergeijk
Nr 5, mei 2007, Over Godefridus Meulenbroeks en zijn aanvaring met Bergeijks haarteuten
Nr 5, mei 2007, Wie was Arnold Kuijken te Fritzlar
Nr 6, sept. 2007, Leendert Kusters in 1778
Nr 7, dec. 2007, Over Luykgestelse haarteuten in Amerika
Nr 9, juni 2008, Nog even over de haarteut Arnold Kuyken
Nr 12, febr. 2009, Over Budel, pleisterplaats van Bergeijkse haarteuten
Nr 14, okt. 2009, Over Pieter Ecrevisse en zijn beschrijving van de teuten
Nr 14, okt. 2009, 't Teutenhuis, Domineestraat 8a te Bergeijk
Nr 15, dec. 2009, Het Teutenhuis, de oudste woning van Bergeijk-dorp
Nr.20, mrt. 2011, Mellrichstadt, woonplaats van Bergeijkse haarteuten.

(*) De Keersopper, bij RHC-Eindhoven ter inzage

Een interessante site voor meer achtergrondinformatie is die van heemkundekring Hamont: www.teuten.eu 

 

Wim van Dooremolen, april 2012