Prehistorie  t/m  Vroege Middeleeuwen (ca. 1000 na Chr.)

 

De prehistorie van ons land kan worden ingedeeld in drie grote tijdvakken: de steentijd, de bronstijd en de ijzertijd.

Deze tijdvakken kunnen weer worden onderverdeeld. Zo onderscheiden de archeologen binnen de steentijd een drietal perioden:

   - het palaeolithicum (de oude steentijd; lithos (Grieks) = steen),

   - het mesolithicum (de midden-steentijd) en

   - het neolithicum (de jonge steentijd).

 

 

JONG PALAEOLITHICUM

(ca. 10.000 - 8.000 v.Chr.)

 

De oudste bewoningssporen in de Kempen dateren uit het zgn. jong-palaeolithicum (ongeveer 10.000 - 8.000 v.Chr.).

Gedurende deze periode heerst in onze streken nog grotendeels een koud toendraklimaat. De natuurlijke omgeving wordt gevormd door uitgestrekte toendra's, zoals wij die nu nog kennen in Noord-Europa en Siberië.

Tent van rendierjagersDe mensen uit deze periode leven vrijwel uitsluitend van de jacht op dieren die in de toendra voorkomen. Vooral het rendier is een belangrijke jachtbuit.

Tot de artefacten (werktuigen) van de jong-palaeolithische mens, die we nu nog in de bodem terugvinden, behoren pijlspitsen, schrabbers (om huiden mee schoon te maken) en mesjes. Deze werktuigen zijn vervaardigd uit vuursteen.

De fijne afwerkingstechniek om scherpe kanten aan de vuurstenen werktuigen te verkrijgen, wordt aangeduid met de term 'retouchering'.

Er zijn twee verschillende tradities in het jong-palaeolitisch vuursteenmateriaal van de Kempen te onderscheiden: de zgn. Tjongergroep en de zgn. Ahrensburggroep.

In het gebied tussen Run en Keersop zijn de vondsten uit deze perioden nog uitermate schaars. Wel is een aantal jong-palaeolitische artefacten bekend van de Pielis in het zuiden van de gemeente Bergeijk.

 

 

HET MESOLITHICUM

(ca. 8.000 - 4.000 v.Chr.)

 

Omstreeks 8.000 v.Chr. treedt een definitieve klimaatsverbetering in. De toendra's maken plaats voor berken- en dennenbossen, later ook voor loofbossen.

In onze streken wonen nu mensen, die zich aan de gewijzigde klimaat-omstandigheden hebben aangepast. Ze maken jacht op dieren, die in de bossen en in de waterrijke gebieden voorkomen (herten, reeën, wilde zwijnen en waterwild). Daarnaast leven ze van de visvangst en verzamelen wilde vruchten die het bosmilieu oplevert.

De artefacten die we van deze jagers- en voedselverzamelaars uit het mesolithicum terugvinden zijn meestal opvallend klein en worden daarom microlithen genoemd. Het betreft o.a. pijlspitsjes, schrabbers en mesjes.

Sporen van mesolithische nederzettingen zijn gevonden in de omgeving van Westelbeers, Oostelbeers en in de Pielis (op de grens van Bergeijk en Luyksgestel). Uit het gebied tussen Run en Keersop zijn ook uit deze periode nog maar weinig vondsten bekend.

 

 

HET NEOLITHICUM

(ca. 4.000 - 1.500 v.Chr.)

 

De periode van het neolithicum wordt gekenmerkt door het optreden van de eerste landbouwers.

De prehistorische mens wordt van jager, visser en verzamelaar tot boer. Op in bossen opengekapte plekken legt hij akkers aan, waarop hij graan verbouwt.

Daarnaast houdt hij vee (schaap, geit, rund en varken). Hij woont voortaan in vaste nederzettingen.

Nieuwe Steentijd - Vondsten uit ringwalheuvel De WeeboschVuurstenen artefacten spelen nog een belangrijke rol. Typerend voor de neolithische periode is echter vooral het gebruik van geslepen bijlen van vuursteen en/of andere steensoorten.

Daarnaast treedt in het neolithicum voor het eerst aardewerk op.

In de loop van deze periode ontwikkelen zich verschillende aardewerkstijlen. Vooral aan de hand hiervan kan de archeoloog verschillende neolithische culturen onderscheiden.

Een neolithische cultuur, die uit de omgeving goed bekend is, is de zgn. Bekercultuur (ca. 2.200 - 1.500 v.Chr.).

Grafheuvels waarin de lieden van de Bekercultuur hun doden hebben begraven zijn, o.a. opgegraven op de Witrijt (met als grafgiften een prachtige vuurstenen dolk en een in zigzagtechniek versierde beker), aan de Eikestraat bij Riethoven (thans verdwenen) en aan de rand van de voormalige Bergerheide (de twee gerestaureerde heuvels aan de Bremdreef).

Oppervlaktevondsten van vuursteenartefacten en scherven van aardewerk (o.a. met zgn. wikkeldraadversiering) geven aan, dat tussen Run en Keersop zich ook verschillende nederzettingen van de Bekercultuur moeten hebben bevonden.

 

 

DE BRONSTIJD

(ca. 1.500 - 1.000 v.Chr.)

 

Kort na de Bekercultuur treedt een nieuwe landbouwerscultuur in de Brabantse Kempen op: de Hilversum-cultuur.

Deze cultuur is vooral bekend geworden door het onderzoek omstreeks 1950 van de grote grafheuvelnecropool van Toterfout - Halve Mijl tussen Vessem en Zand-Oerle en van de Zwartenberg in Hoogeloon.

Palenkransgrafheuvel Midden-BronstijdOok in het gebied tussen Run en Keersop zijn enkele heuvels van de Hilversum-cultuur opgegraven: de Kattenberg bij Bergeijk, de bekende (gerestaureerde) heuvel aan de westkant van de Eerselsedijk en een vijftal heuvels op de voormalige Waliker- en Hobbelerheide (nu verdwenen).

Kenmerkend voor deze grafheuvels is dat ze meestal omgeven zijn geweest door een of meer kransen van palen, die zich bij een opgraving als donkere ronde plekken in de bodem aftekenen. Bij de heuvel aan de Eerselsedijk is een dergelijke palenkrans gereconstrueerd.

De dode wordt in de Hilversum-cultuur in de regel gecremeerd en in een urn in de grafheuvel bijgezet.

Bij het onderzoek van de heuvel aan de Eerselsedijk zijn geen duidelijke sporen van de primaire bijzetting teruggevonden; wel is een aantal latere nabijzettingen, in de vorm van drie grote urnen en de resten van vier andere urnen aangetroffen.

Bijgiften in de graven van de Hilversum-cultuur komen zeer zelden voor.

De vondst van een bronzen beitel in de Zwartenberg bij Hoogeloon is een unicum. Hij geeft intussen wel aan dat met de Hilversum-cultuur de bronstijd in de Kempen is begonnen.

Enkele bodemsporen en aardewerkvondsten doen vermoeden dat bij de Paal in Bergeijk waarschijnlijk een nederzetting van de Hilversum-cultuur heeft gelegen.

 

 

DE LATE BRONSTIJD EN DE VROEGE IJZERTIJD

(ca. 1.000 - 500 v.Chr.)

 

De late bronstijd en de vroege ijzertijd geven in de Kempen het optreden van de zgn. Urnenvelden-cultuur te zien.

De dragers van deze cultuur cremeren hun doden, deponeren de crematieresten in een urn en zetten deze bij in een laag, door een zgn. kringgreppel omgeven heuveltje.

De bekende (school)meester Peter Norbertus Panken heeft in de vorige eeuw uitgestrekte begraafplaatsen (urnenvelden) van deze cultuur in de heiden rond Bergeijk en Riethoven aangetroffen; in de Bergerheide (direct ten noordwesten van Bergeijk), bij de Paal en ten westen van Boshoven.

Zijn 'opdelvingen' hebben ondermeer een vervolg gekregen in de wetenschappelijke opgravingen van de urnenvelden aan de Keersopperdijk (Riethoven) en nabij de Paal.

Het aardewerk van deze cultuur kenmerkt zich door een grote verscheidenheid in vorm en versiering.

Bronzen voorwerpen uit deze periode zijn in onze kennelijk betrekkelijk arme streek nauwelijks aanwezig. Des te opvallender is de vondst van een bronzen zwaard uit de omgeving van Bergeijk, dat gedurende de urnenveldenperiode uit het Zwitserse merengebied naar hier moet zijn gekomen. Het bevindt zich tegenwoordig in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

Omstreeks 700 v.Chr. begint in West-Europa de ijzertijd.

Uit de late urnenvelden-periode zijn in het gebied tussen Run en Keersop geen ijzeren voorwerpen bekend.

 

 

DE MIDDEN- EN LATE IJZERTIJD

(ca. 500 v.Chr. tot het begin van de jaartelling)

 

Huis IJzertijd

Relatief veel van de oppervlaktevondsten uit het gebied tussen Run en Keersop moet afkomstig zijn uit de periode tussen 500 v.Chr. en het begin van onze christelijke jaartelling.

Het is echter vooreerst moeilijk om aan de hand van het meestal onversierde aardewerk een duidelijk beeld van deze periode te ontwerpen.

De bewoners van deze streken zijn in deze periode ongetwijfeld Kelten. Zij zijn de dragers van de zgn. La Tène-cultuur.

Enige belangwekkende vondsten uit de omgeving van Bergeijk zijn o.a. een grafvondst van de Bergerheide met de resten van een fraaie, in rood en wit beschilderde La Tène-vaas en de vondst van verscheidene fragmenten van Keltische glazen armbanden van een vindplaats onder Riethoven.

 

 

DE ROMEINSE TIJD

(begin van de jaartelling tot ca. 260/270 A.D.)

 

Hoewel ver gelegen van de Romeinse centra van beschaving is de streek tussen Run en Keersop verrassend rijk aan Romeinse vondsten.

Voor een groot gedeelte zullen deze moeten worden verklaard als importen die gebruikt zijn door de bewoners van een aantal inheemse nederzettingen, voor een ander deel, een aantal vroege vondsten van rond de jaartelling, kan deze verklaring moeilijk gelden.

Het gaat in het laatste geval om een voor het Brabantse zandgebied uiterst zeldzaam vondstcomplex, dat bestaat uit een aantal specimina van zgn. Arretijnse sigillata (waarschijnlijk afkomstig uit Italië), zgn. kurkurnen, fragmenten van kruiken en van een amfoor.

Welke de betekenis is van dit bijzondere vondstencomplex is een zeer boeiend probleem, dat in de toekomst door wetenschappelijk bodemonderzoek zal moeten worden opgelost.

Romeins aardewerkTot het gangbare vondstenmateriaal uit de latere Romeinse periode (voornamelijk de tweede en derde eeuw) behoort - afgezien van de fraai versierde rode terra sigillata - gevernist aardewerk en een aantal exemplaren van kruiken, amforen, schalen, kommen, borden en wrijfschalen.

Tot de metaalvondsten behoren bronzen fibulae (mantelspelden) en een fragment van een bronzen lepel. Voorts zijn er fragmenten van glazen ribbelkommen en vensterglas gevonden.

Interessant is tenslotte een aantal Romeinse munten. De vroegste is een munt uit de tijd van keizer Augustus (27 v.Chr. - 14 n.Chr.), geslagen in het jaar 8 v.Chr. te Lyon. Enkele latere munten dragen de beeldenaar van de keizers Vespasianus, Traianus en Antoninus Pius.

De voortdurende invallen van Germaanse stammen van over de Rijn tijdens de derde eeuw na Christus leiden tot het einde van de Romeinse bewoning van onze streken (ca. 260/270 na Chr.).

 

 

DE VROEGE MIDDELEEUWEN

(ca. 500 - 1.000 A.D.)

 

Na de duistere periode van de Volksverhuizingen (4de / 5de eeuw A.D.) begint in de Kempen de Merovingische periode (ca. 550 - 700).

Glas uit Merovingisch grafveld BergeijkVooral door de ontdekking en opgraving van het rijke Merovingische grafveld aan de Fazantlaan te Bergeijk in 1957 en 1959 is een duidelijk beeld gekregen van het grafritueel van deze tijd.

Het gaat hier om een zgn. rijengrafveld, waarin de doden in houten kisten zijn begraven. Een enkele maal komt ook een crematie voor.

De bijzettingen in de ca. 130 graven omvatten behalve de veel voorkomende zwartgrijze of rode knikpotten (op de schouder vaak versierd met een rolstempeltje) roodgebakken schaaltjes, bekertjes van aardewerk en enkele glazen bekers, waaronder een fraaie zgn. buidelbeker.

In de mannengraven komen daarnaast ook herhaaldelijk wapens voor: zwaarden, lanspunten, pijlpunten en werpbijlen.

De vrouwengraven zijn te herkennen aan de meegegeven sieraden, waaronder fraaie kralensnoeren, gouden hangers en zilveren oorbellen.

De vondst van een gouden Madelinusmunt, geslagen in Dorestat (ca. 630), geeft aan dat de nederzetting die bij dit grafveld van Bergeijk heeft behoord zeker niet onbelangrijk geweest kan zijn.

Waar deze nederzetting heeft gelegen is niet bekend, maar enkele aardewerkvondsten doen vermoeden, dat we haar dicht bij de akkers op de hoge gronden moeten zoeken.

In Dommelen werd in 1982/3 een Merovingische nederzetting met enkele opmerkelijke graven opgegraven.

De vondst van Merovingisch aardewerk in Riethoven en Westerhoven geeft aan, dat we ook daar rekening moeten houden met een nederzetting uit deze tijd. Het is verleidelijk om uitgaande van Merovingische bewoningskernen in Dommelen, Riethoven, Westerhoven en Bergeijk de veronderstelling te wagen, dat de geschiedenis van deze vier dorpen tussen Run en Keersop al in de zesde of zevende eeuw begint.

Of er ook tijdens de Karolingische periode (± 700 - 900) van een bewonings- continuïteit sprake is, is echter niet zeker. Vondsten uit deze tijd zijn niet bekend. De historische periode van het gebied tussen Run en Keersop begint in feite pas na 1.000 als de dorpen voor het eerst in schriftelijke bronnen worden genoemd.

 

Johan Biemans, mei 2012